Afgelopen zondag werd ik in de Thiemenloods in Nijmegen geïnterviewd over De Grootsheid van het Al, door mijn lieve collega’s Hanneke Hendrix en Jaap Robben.

‘s Ochtends voor de spiegel kon ik kiezen tussen:

a. cool, collected, succesvol, effortless, Volwassen en met de zaakjes prima op orde
 SAM_1590 kopie
of b. een zelfgemaakte Madonna-bij-Ellen-DeGeneres-Rebel-Heart-showtrui ter ere van de Ellen DeGeneres Madonnaweek!!!!! (dwz: een witte trui met daarop vastgelijmd vier stukken rood vilt)
madge
Ik koos voor optie b. Gewoon omdat dat kan, ook als je 31 bent.  Met unaniem belachelijk groot succes (van Nijmegen tot aan Parijs): mijn trui was zo raar (of zo voelde het in elk geval) dat het verder niet meer uitmaakte hoe normaal ik was. Dat was vrij heerlijk. Ik voelde me een Rebel Heart. En ik wist weer even zeker dat ik morgen in principe gewoon ook met 50 Dollar naar New York zou kunnen vertrekken. Als ik daar zin had. Dat hebben Madge en ik tenslotte ooit gedaan, lang geleden.
Hanneke en Jaap waren fantastisch, net als het publiek. Mevrouw Blijleven kocht zomaar drie exemplaren van De Grootsheid van het Al. En maakte foto’s.
Raoul de Jong leest voor Raoul de Jong Marianne Blijleven en  Raoul de Jong Schrijvers Hanneke Hendrix & Jaap Robben

Laatst vond Ellen een vergeelde foto: zijzelf als klein meisje op de schoot van een oom op het dek van een schip dat die middag naar Canada zou varen. Achter haar zie je de gouden letters die vandaag nog altijd op de gevel van haar werkplek staan: HOLLAND-AMERIKA LIJN. Misschien stond alles altijd al in de sterren geschreven, ziet u wel?

Ellen Lampen (58) is hoofd huishoudelijke dienst van Hotel New York, al 18 jaar. Ze heeft geen passie voor schoonmaken – „Thuis heb ik er nul mee” – wel voor dit hotel. Voor de tegeltjes, de deurknoppen, de antieke kastjes, de tapijten, de stoelen in de lobby met het hotellogo erop – „Dat is toch gewoon léuk?” vraagt ze. Hotel New York is een romantische plek, een plek vol verhalen, oud en nieuw. De plek waar duizenden mensen alles achterlieten om aan de overkant van de oceaan een nieuw begin te maken. Ellen: „Soms lukte dat fantastisch, vaak werd het een fiasco.” Het is Ellens taak om voor deze plek te zorgen. Het doel: elke gast ‘wow’ laten zeggen als hij zijn kamer binnenstapt. De truc: alles zo grondig schoonmaken dat je niet merkt dat er eerder iemand heeft geslapen.

Kamer 485 heeft twee etages. Op de tweede etage sta je in het torentje onder de windvaan in de vorm van het schip waarmee Henry Hudson in 1609 Manhattan ontdekte, het hoogste punt van het hotel. Uit het raam zie je de Maas, Katendrecht, het ss Rotterdam. „Je voelt de bedrijvigheid”, zegt Ellen, „en de vrijheid van het water.”

Haar opa en oma en vijf van haar tantes en ooms zijn hier ook vertrokken. Drie keer. Oma kon niet wennen, dus kwamen ze na een paar jaar steeds weer terug. Om het een paar jaar later toch nog één keer te proberen. Bijna was Ellen in Canada geboren. Alles was geregeld, maar op het laatste moment besloot haar vader in Nederland te blijven. Helaas.

Onlangs was ze er, in Canada, het is mooi daar. Een tante is er altijd gebleven. Ze is steenrijk. En ze doet niks de hele dag behalve golfen.

Erasmus -Tessa Smitjpg

Tessa Smit

Al in de zeventiende eeuw werden er prospecten gemaakt met een verzonnen skyline van Rotterdam”, zegt Paul van de Laar (55), bijzonder hoogleraar stadsgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit en directeur van Museum Rotterdam. „Torens werden net een beetje hoger getekend dan ze in werkelijkheid waren.”

We staan in de Faculty Club op de bovenste etage van het Tinbergen gebouw, de hoogste toren op de campus van de Erasmus Universiteit. Met een spectaculair uitzicht op de stad vanuit het oosten: de kronkel van de Maas en daarachter, netjes op een kluitje, alle glanzende, glimmende uitroeptekens die de afgelopen zeventig jaar uit de Rotterdamse grond zijn geschoten. De stad heeft iets van een blokkendoos. Een blokkendoos waarmee je kunt spelen. Maar Paul schudt heftig van nee. „Rotterdam is niet maakbaar”, zegt hij. Dat is een marketingverhaal, dat het altijd goed doet.

Paul: „De superdiversiteit van onze bevolking en alles wat daardoor ontstaat is wat onze stad bijzonder maakt. Het onderscheidt ons van alle andere Nederlandse steden. Die kracht durven te omarmen zou ons tot een lichtend voorbeeld maken, voor Nederland en misschien zelfs voor de wereld.”

Paul vertelt: vrijwel het hele centrum werd vernietigd tijdens het bombardement, maar de puinruimers gingen zo grondig te werk dat veel van wat behouden had kunnen blijven, alsnog verloren ging. In het Basisplan 1946 kreeg elk gebied een functie. Het centrum werd voor zaken en in 1969 verhuisde de hogeschool – de voorloper van de universiteit – vanuit het centrum naar hier: Woudestein, een buitenplaats die in de vorige eeuw recreatief gebied werd.

Rotterdam: de stad van de toekomst, dat werd het verhaal van de wederopbouw, helemaal ingericht naar de behoeftes van de moderne mens. Maar mensen zijn mensen, geen poppetjes in een maquette. Volgens Paul schuilt juist daarin onze grootste kracht: niet in die torens, maar in alles wat er in de stedelijke tussenruimte, tussen die torens in, gebeurt. Zomaar, per ongeluk, zonder dat iemand dat achter een tekentafel heeft bedacht.

Paul: „De superdiversiteit van onze bevolking en alles wat daardoor ontstaat is wat onze stad bijzonder maakt. Het onderscheidt ons van alle andere Nederlandse steden. Die kracht durven te omarmen zou ons tot een lichtend voorbeeld maken, voor Nederland en misschien zelfs voor de wereld.”

In andere woorden: misschien schuilt onze grootste kracht juist in alles wat niet past binnen het plaatje.

SAM_1555
SAM_1558
Binnenkort (als alles gaat zoals het moet gaan) beginnen de opnames van Mirakel tv, een tv-programma over de kunstgeschiedenis van Rotterdam. Ik zit in de redactie, samen met allemaal oude, wijze professors (en dit bedoel ik op de liefste manier – hopelijk word ik er zelf ooit een) en  ik doe de presentatie.
Om er in te komen, begon ik gister aan een boekje dat ik jaren geleden eens kocht vanwege de kaft: Kunstgrepen, uit 1961 (uitgegeven door mijn uitgever: De Bezige Bij!) van Pierre Janssen, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum van Schiedam (want dat is er dus, een stedelijk museum in Schiedam).
Het boekje is gebaseerd op het script van het gelijknamige tv programma van de Avro. Dat, volgens Wikipedia (waar ik nooit op mag vertrouwen, volgens mijn bazen bij de krant, maar dat doe ik nu even toch) ‘wellicht het eerste kunstprogramma was op de Nederlandse televisie… Het programma trok gemiddeld twee miljoen kijkers per uitzending en er werden ongeveer 100 afleveringen uitgezonden.’
Zoals wel vaker met stoffige boekjes die ik alleen kocht vanwege de kaft, blijkt het boekje, jaren later, ineens gewoon ook heel leuk om te lezen.
Dit zegt Meneer Janssen in de inleiding:
“Ik kan er echt niks aan doen als men de beeldspraak wat te gezocht vindt, maar dikwijls doet de samenleving mij denken aan een Chinees restaurant, compleet met parkieten in een kooi. Daar zitten mensen te eten en zij weten niet wat zij eten, zij weten niet eens wat er op de winkelruit staat, en daar praten de Chinese bedienden onverstaanbaar met elkaar, en andere Chinezen zijn Javanen, of Ambonezen, en de parkieten praten driftig en hebben hun eigen machtsverhoudingen en hun eigen roddel en niemand kent niemand, niemand begrijpt niemand (…) Overal zijn er glazen wanden tussen ons, en het is voor mij een levensbehoefte geworden, die wanden te verschuiven of weg te nemen. Noem het onbescheidenheid, noem het kamertjesvrees, noem het wat men wil – ik geef het als verklaringen voor mijn pogingen, ook door het glazen scherm van televisietoestellen heen te dringen.’
En dit vroeg hij het Nederlandse publiek tijdens aflevering één van zijn tv-programma: ‘Ben ik net-echt, zoals ik op televisie in uw huiskamers verschijn, achter een raar glaasje, aanzienlijk veel kleiner dan mijn trotse twee meter vijf? U hoort mijn stem en u ziet me, maar ziet u mij? U ziet en hoort niets anders dan een kunstgreep, een schim en een echo, die door de lucht naar u toe worden gedragen en op allerlei vreemde manieren in een kastje in elkaar worden geknutseld tot een nieuwe Janssen, wat zeg ik, tot dertig nieuwe Janssens (want zo veel toestellen staan er nog wel aan, hoop ik). Ik ben bij u, maar ik ben niet bij u. Hier sta ik, in Bussum, en ik bereik u, maar kan ik u bereiken? Zelfs in mijn verkleinde uitvoering kan ik niet door uw ruitje. Hier is mijn hand, die ik u niet geven kan.’

Best wel briljant.
Hier is Meneer Janssen in actie:

Dit weekend kwam ik thuis na echt een hele lange, vermoeiende dag en vond dit kaartje op de deurmat. Dankjewel Lotte! Ik heb hem opgehangen boven mijn bureau.

Heilige MaagdTessa Smit

Het is alsof je in het centrum van de zon staat. Want op de bovenste etage is het hart van deze toren: het licht. Op 14 februari 1894 werd het ontstoken en tachtig jaar lang wees het zeelieden de weg naar de haven van Rotterdam.

Het Hooge Licht: een vuurtoren uit de 19de eeuw: knalrood, vol overbodige romantische versierinkjes. Hij staat in Hoek van Holland, naast de Noordzee, aan de monding van de Nieuwe Waterweg – de poort naar Rotterdam. In 1974 zag niemand wat er mooi aan was: de kustlijn van Hoek van Holland werd opgespoten, de toren had geen functie meer. Maar één vijftienjarige jongen bleef wakker, René Vas. Jarenlang stalkte hij de gemeente, tot hij in 1982 werd uitgenodigd voor een gesprek. Zijn plan: de vuurtoren omtoveren in een vuurtorenmuseum.

Inmiddels is René 50 en heeft hij de toren 33 jaar in zijn beheer. „Een uit de hand gelopen hobby”, lacht hij. Hij heeft iets van een zeeman: leren jas met gouden zeemansknopen, haar in een staartje en op zijn linker arm een tatoeage van de Terschellinger vuurtoren de Brandaris, de eerste vuurtoren waarop hij verliefd werd.

De acht verdiepingen van het Hooge Licht heeft hij ingericht met lampen, kaarten, apparaten en kleding die iets vertellen over het leven van de vuurtorenwachter. Vuurtorenwachters ontstaken het licht en hielden het brandend, daarnaast keken ze uit over de zee en waarschuwden schepen voor gevaar, met vlaggen, seinlampen en vuurpijlen. De wereld was nog niet ontdekt, gevaar was overal: storm, zandbanken, zeemonsters en zeemeerminnen.

Op de zesde etage staat een bureau met een verrekijker en een logboek. „Kun je het voorstellen? Hier werkten ze dan, in shifts van vier uur.” Je hoort het gekraai van meeuwen, het ruisen van de wind en voelt iets wat je beneden vaak vergeet: dat er tijd is, alle tijd.

Buiten zie je Naaldwijk, Delft, Den Haag, Rotterdam en een paar honderd meter verderop: de toren die deze toren in 1974 vervangen heeft: een vierkante betonnen paal die helemaal zelfstandig opereert. Snel, goedkoop en functioneel. Zonder menselijk hart of overbodige versieringen.

Kerk-laurenskerk-2De stad waarin ik leef is niet zo heel romantisch. Rotterdam is groot en nieuw en ja, ook gewoon heel interessant, maar er ontbreekt een link met het verleden, een gevoel voor geschiedenis en daardoor vaak: een gevoel voor poëzie. En daarom is Richard de Waardt een held. Richard en ik hadden afgesproken onderaan de Laurenskerk. Hij leek heel vrolijk, opvallend vrolijk, meteen. Open en een beetje alsof hij zweefde. Toen we boven in zijn toren kwamen en ik zag wel werk hij deed, snapte ik hoe dat kwam.
Middenin een stad waarin alles nieuw is, maakt hij muziek vanuit een toren die er al stond in de middeleeuwen, met klokken die daar in 1660 al hingen. Het is zijn werk om voor ons te dromen. Om onze wereld een beetje mooier te maken. Net als een engel, van boven.
Lees verder…

pussy riot
Tijdens het IFFR ontvoerde ik de twee bekendste leden van Pussy Riot naar de bovenste etage van het Hilton, voor ‘de bovenste etage’, mijn rubriekje in  NRC Handelsblad.

Het had iets uit La Dolce Vita, de hele situatie. Die scène waarin Anita Ekberg op het vliegveld arriveert, overspoeld wordt door paparazzi en een persconferentie houdt in haar hotelkamer. Het ging over roem. Over twee meisjes die eigenlijk, net als wij, maar twee kleine stipjes zijn op een enorme planeet. Door omstandigheden zijn ze opgeblazen tot iets groters, iets bovenmenselijks. Van dichtbij zag je hoe jong ze waren. En je voelde hoe griezelig het soms moet zijn, alle buzz om hen heen.

Ik kreeg tien minuten voor het interview, het werden er vijftig. Ze zeiden mooie dingen over Rotterdam. En over de wereld verbeteren. Lees verder…

IFFR

Foto Tessa Smit

Elke vrijdag een nieuwe aflevering van ‘de bovenste etage’, mijn rubriekje in de Rotterdam bijlage van NRC Handelsblad, waarvoor ik de bovenste etages van Rotterdamse gebouwen bezoek. Afgelopen vrijdag ging op expeditie met stadsecoloog André de Baerdemaeker, op zoek naar de drie zeldzame roofvogels die sinds de zomer van 2014 bovenin de Shell-toren wonen. ‘Ze worden zes tot zeven jaar oud in het wild,’ zei André. En het mooie was: met wild bedoelde hij dus hier: naast een rotonde met razende auto’s, op de stoep, onder een betonnen flat naast een tikkend stoplicht, honderdenduizendenmiljoenen kilometers verwijderd van bossen en bergen en frisse lucht. ‘Je hoeft niet naar Antarctica als je de wildernis wilt vinden,’ zei André. ‘Als je weet hoe je moet kijken is de wildernis overal.’ Lees verder…

P.S. En hier een expositie waaraan André meewerkte over natuur in de stad.

OgenblikDe fotograaf Noud van Tiem maakte een fotoboek met quotes uit De Grootsheid van het Al. Een prachtig fotoboek! Ook zonder die quotes, net als de rest van Nouds foto’s. En net als Noud zelf. Ik kende hem niet, we ontmoetten elkaar op het station van Eindhoven. We dronken koffie, spraken over onze dode huisdieren, over ‘s nachts over straat slenteren met het maanlicht en over alles wat je kunt zien als je goed kijkt.