wpc
port-of-rdam-kl-2
Een soort troon is het, de Zetel van God. Of gewoon: de boardroom van Donald Trump. Gerard komt er soms in zijn pauze, om even van het uitzicht te genieten. Want een van de mooiste plekken van Rotterdam zoekt nog een huurder.
Gerard Lakerveld (51) is de gebouwmanager van het World Port Center, de eerste toren die werd opgeleverd op de Wilhelminapier, één van de hoogste gebouwen van Rotterdam. Hij is de spin in het web, zo zegt hij zelf, de schakel tussen de eigenaar van het pand, vermogensbeheerder Syntrus Achmea Real Estate & Finance, beheerder MVGM, en de huurders, onder andere het Havenbedrijf Rotterdam (op de 2de tot de 19de verdieping) en Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (op de 22ste tot de 25ste). In juli is hij begonnen, bijna een jaar geleden. Hij leert het gebouw en de, schat hij, 2.000 mensen die er dagelijks rondlopen steeds beter kennen.
Zijn favoriete plek zit in het kraaiennest, bovenop de toren, het pronkstuk van het gebouw: een vergaderruimte met ramen rondom, daarachter een omgang, en een spectaculair uitzicht over de stad en de havens. Soms worden er reclamespotjes opgenomen. En de Wereldhavendagen en het nationaal vuurwerk worden vanaf de omgang gefilmd.
Hoeveel ze voor de ruimte vragen, weet Gerard niet. Wel waarom iemand de ruimte zou willen huren: de locatie, de bereikbaarheid en natuurlijk: het uitzicht. Gerard zegt: „Een levend schilderij.”
Om het beter te bekijken stappen we de omgang op. De wind waait er, verder is het stil. Aan onze voeten ligt de wereld; water, veel water vooral. Dat water dat je beneden in de stad zo vlug vergeet, hierboven kun je er niet omheen. Op ooghoogte is alleen de lucht. Een meeuw. En het topje van die andere reus: de Montevideo. Van boven zie je: gewoon maar wat platen tegen beton.
Rotterdam van boven is een ervaring, vindt Gerard, iets dat je voelt in je lichaam én in je geest. Hij hoopt op een huurder die dit uitzicht op de een of andere manier met de stad wil blijven delen. Dit uitzicht is een uitzicht dat de stad verdient.

 

Foto: Tessa Smit.

Drie jaar geleden fietste ik in de Geheime Orde van Puck Aix en Provence in, ging zitten op een bankje en schreef dit:
Afgelopen week was ik er weer, toevallig, samen met Gianluca. Gianluca moest er werken, zijn baas betaalde een appartement voor ons, twee treintickets en een taxi vanaf het station.
Toen drie jaar geleden, had het me duizend kilometer, blaren, bloed, zweet en tranen gekost om hier te komen.  Nu was ik er in een flits. Mijn lichaam was er, mijn hoofd bleef nog even achter in Parijs. Het was alsof ik naar een film keek.
De volgende ochtend liep ik door het centrum en kwam langs het bankje waarop ik toen had gezeten. Aix en Provence was het symbool geweest van de wereld waarnaar ik straks weer zou terugkeren, en inderdaad: nu drie jaar later leef ik er weer in.
Ik zag mezelf daar zitten op het bankje. En wist dat ik nu een van de mensen had kunnen zijn die ik toen had bestudeerd.
‘s Middags gingen we wandelen, Gianluca en ik. Net als toen: gewoon vanuit het centrum, net zo lang door tot we de stad uit waren. Ik herkende de bergen, de bomen. En langzaam kwam alles weer terug: http://www.nrc.nl/padvinder/2012/11/30/1041/.
Soms is het zo raar, zo onwerkelijk dat ik drie jaar geleden op de bonnefooi naar Marseille ben gelopen (en gefietst). Ik weet het wel, dat dat gebeurt is, maar voel niet elke dag wat dat betekende. Nu wel, even helemaal, in volle glorie.
We luisterden naar de vogeltjes, de wind, lachten naar de mensen die we passeerden en deden een dutje onder een boom waarvan de hangende takken leken op het pootje van Puck. ‘Hallo meneer de boom,’ zei ik.
En snapte weer waarom ‘de grootsheid van het al’ de titel werd van mijn boek.
TOEN:
meneer-de-boom2

 

bouwtekening

Heilige Maagd

‘Mijn Latijnse fijngevoeligheid wordt gekwetst door de zedeloosheid van het Hollandse volk”, schreef de Portugese schrijver Ramalho Ortigão in 1883 na een bezoekje aan de eerste overdekte winkelpassage van Nederland. Groepen meisjes liepen er „gearmd, en met de neus in de lucht” en daagden mannen uit „tot een soort carnavalsvermaak”. Hij voelde zich persoonlijk gekrenkt.

En toch: als Jantje Steenhuis (57), stadsarchivaris van het Stadsarchief Rotterdam, één gebouw zou mogen terugtoveren dat verwoest werd door het bombardement, dan was het de Passage. „Rotterdam was een werkstad, maar Rotterdam was ook chic. We hadden een bloeiend cultureel leven. Veel mensen zijn dat vergeten.” De Passage is een mooi voorbeeld van de 19de-eeuwse allure die deze stad ooit had.

Het gebouw stond ongeveer waar nu de C&A staat: 100 meter lang en, in het midden, 8 meter breed. Het had een vloer van glazen tegels en een glazen koepel als dak. Het werd op 15 oktober 1879 geopend en was vier jaar later het eerste Rotterdamse gebouw met elektriciteit. Een soort Markthal, avant la lettre.

Er zat een hotel in, een koffiehuis en een badinrichting. Zevenentwintig luxe winkels met hoeden, lingerie, chocolade en ‘gramophonen’. In de kelder zaten een markt en een bierhuis met aquarium. Er was een fontein (die het nooit deed). En een agent. Om luidruchtige spelende kinderen naar buiten te jagen.

Boven de winkels zaten woningen, drie lagen. Daar een zolder, waarschijnlijk een opslag voor kolen, met een zolderraam. Op de ochtend van 14 mei 1940 had je dit uit het zolderraam boven de ingang aan de Coolsingel kunnen zien: een statig ziekenhuis in Romeinse stijl achter een oprijlaan met bomen aan de overkant. Trappen naar ondergrondse toiletten. Een vrouwengesticht. Een supermoderne Bijenkorf, links. En rechts: bioscopen, theaters, hotels, dancings, cafés en terrasjes; het bruisende kloppende Rotterdamse uitgaanscentrum.

Tijdens het bombardement zouden mensen de Passage zijn in gevlucht. De glazen koepel viel in scherven uiteen. Later stalen puinruimers de glazen tegels uit de vloer, als herinnering aan de trots van hun oude stad. Of om te gebruiken als asbak.

Deze week voor de bovenste etage een speciaal verzoek van Tessa Smit, de fotograaf die elke week de foto maakt voor bij de rubriek: Meneba, de graanverwerkinsfabriek aan de Maashaven. Tessa fietst er al jaren langs, onderweg naar haar opa en oma.

Alles was een verassing. Het begon al voor de deur: jongemannen die in witte overalls met blauwe kapjes op in de zon een peukie zaten te roken. Daarna een  voorgebouwtje uit de jaren zeventig. Waar we onze ID moesten laten zien, voor we een wachtruimte in mochten: met grote donkerrode leren banken en een koffieautomaat. “Echt zo’n bedrijf,” fluisterde ik tegen Tessa. Heel avontuurlijk voor mensen als wij die komen uit de wereld van de shared offices, koffiebarretjes en  pop-up stores. Deze wereld kende ik alleen uit films. Deze bijvoorbeeld:

(met mij en Tessa als Jane Fonda) (al werd er hier dus graan verwerkt, geen kern energie) (en gebeurde dat allemaal gewoon heel veilig, echt waar)

En aan Potiche, daar deed het me ook aan denken. Die film met Catherine Deneuve over een paraplufabriek in de jaren zeventig. En aan de verhalen van mijn opa.

Totaal exotisch.

De ingang naar het hoofdgebouw was als The Grand Budapest Hotel, van Wes Anderson. En daarachter was het een wonder.

Zoals we hoopten kregen we een haarkapje op.

Heilige Maagd

Hieronder de column. En foto’s van Tessa.

In de ontvangsthal staan twee bustes van streng kijkende heren, los van de sokkels waar hun namen op staan: Kraan en Dusseldorf, de oprichters van de fabriek. Gerard wisselde de bustes ooit om voor de grap. Of ze nu op de juiste plek staan weet hij niet zeker.

Het voelt ongeveer als het ontdekken van een tombe van een Egyptische farao; door de ingangspoort stappen van de graanverwerkingsfabriek aan de Maashaven: overal zijn schatten. Een houten receptie uit de jaren zestig, een glas-in-loodkunstwerk uit 1940, twee mozaïeken uit de jaren twintig, een statige hal met glazen koepel als dak.

Heilige Maagd

Het is nogal schokkend dat dit a: bestaat (in zo’n perfecte staat), b: bestaat zonder dat iemand je daar ooit over had verteld. In een stad waarin het vaak ontbreekt aan tastbare geschiedenis, is de hoofdvestiging van Meneba een plek waar je honderd jaar geschiedenis kunt horen, zien en voelen.
Meneba: de Meelfabrieken der Nederlandsche Bakkerij. In 1915 opgericht door Nederlandse bakkers, geëxplodeerd in de jaren tachtig, daarna overgenomen door verschillende buitenlandse bedrijven en investeringsmaatschappijen, drie jaar geleden bijna failliet, doch in 2015 nog steeds op de been, inmiddels met een voorzichtige stijgende lijn. Jaarlijks wordt er zo’n 600.000 ton graan aangevoerd, verwerkt en geëxporteerd. Door zo’n 150 man personeel. Deze zomer bestaan ze honderd jaar.

Gerard Verkerke (61), sinds vier jaar directeur, is al veertig jaar in dienst. Tijdens de rondleiding begroet hij al het personeel dat hij tegenkomt, sommigen werken er net zo lang als hij. Het gebouw bestaat uit drie afdelingen: rechts de tarwesilo’s, honderden, van acht etages hoog. In het middenstuk wordt er gemalen en gezeefd. Links is voor het meel.

Heilige Maagd

Heilige Maagd

Heilige Maagd

Op de bovenste etage wordt het door ronkende machines in zakken gespoten en via een glijbaan naar de opslag beneden gestuurd.

Heilige Maagd

Op het dak zie je de Tarwewijk en, aan de overkant van de Maashaven, Katendrecht. Een man klaagde daar ooit over geluidsoverlast, vertelt Gerard. En zij, deze enorme fabriek vol ronkende machines en hard staal en beton, besloten naar hem te luisteren. Tegenwoordig zijn ze vrienden. Mooi is dat.

Heilige Maagd

Heilige Maagd

Heilige Maagd

Foto: Tessa Smit.

Deze week een van mijn favoriete werkbezoekjes voor ‘de bovenste etage’ tot nu toe: de werkkamer van filmmaakster Nanouk Leopold. Precies zo’n werkkamer waar ik zelf altijd van droom. Met de werkkamer van haar vriend achter een schuifdeur. Zo wil ik het ook, ooit, later, als ik rijk ben: ik een werkkamer vol boeken van dode schrijversvrienden, opgestapeld volgens een magische, onzichtbare orde, een leesstoel en een schrijftafel. En Gianluca daarnaast een werkkamer om te schilderen.

Zoals de werkkamer van Roald Dahl, zo was Nanouks werkkamer een beetje. 

roald-dahl(de werkkamer van Roald Dahl)

Toen ik haar adres googlede, achteraf, bleek Nanouk in dezelfde straat te wonen, twee deuren verder, als waar Willem Elsschot in 1910 Villa Des Roses schreef. Over de lotgevallen van het personeel en de verschillende gasten van een familiepension in Parijs.  Ik heb het boek meteen besteld en het is prachtig. Prachtig en grappig en het maakt mijn buurt een beetje mooier, te weten dat ook hier mensen wonen en woonden die leven in dezelfde wereld als ik.
willem(Willem Elsschot)
De column!

Ze twijfelde nog of ze moest opruimen, maar dat is het ding: het lijkt hier misschien een chaos, maar dat is het niet. Alles ligt precies zoals het liggen moet. Onuitgepakte verhuisdozen, schilderijen en boeken, heel veel boeken. Stefan Zweig, JG Ballard, science fiction en prominent op de grote houten werktafel, vlak naast haar laptop: een boek met een foto van een strengkijkende Coetzee op de voorkant. Ze kijkt er naar tijdens het schrijven. „Weet je het zeker?” vraagt Coetzee haar dan.

De werkkamer van Nanouk Leopold (47), één van de succesvolste Rotterdamse filmmakers, ligt op de bovenste verdieping van haar huis, slechts twee deuren verder van het huis waarin Willem Elsschot in 1910 zijn debuutroman Villa des Roses schreef. De kamer is een soort grot, zegt ze, een afspiegeling van wat er in haar hoofd gebeurt. Alles wat ze mooi en inspirerend vindt, sleept ze mee naar binnen. Zaadjes die in de koude buitenwereld vertrapt zouden worden, kunnen hier tot bloei komen. De kamer is een broeikas voor verhalen. Verhalen die nog niet bestaan, alleen in haar hoofd. Ze puzzelt, zoekt, droomt, tot de droom een werkelijkheid wordt. Ze begint ’s ochtends nadat haar zoon naar school vertrekt, stopt wanneer hij terugkomt.
Tussen de boeken liggen vandaag A4’tjes met plaatjes die zij en haar art director hebben verzameld om een sfeerbeeld te geven van Cobain, haar volgende film. Over een vijftienjarige jongen die door zijn drugsverslaafde moeder vernoemd werd naar de zanger van Nirvana. Ze zijn begonnen met casten en rijden soms al door de stad op zoek naar locaties. „Altijd een spannend moment”, zegt ze: het moment waarop de werkelijkheid invloed krijgt op de droom. „Ineens is het niet meer een meisje in een straat, maar dié actrice in dié straat.”
Rotterdam wordt het decor, net als voor haar eerste speelfilm, Îles Flottantes, de stad waarin Nanouk geboren werd en altijd heeft gewoond. Ze lacht: „Ik heb het gevoel dat Rotterdam de echte wereld is, niet een soort bubbel van hipsterdom.” Rotterdam is romantisch op een niet romantische manier: romantisch juist omdat je naar de romantiek moet zoeken.

Heilige MaagdTessa Smit

‘Ken je Bob Ross?’ vraagt Michiel. „Van die oranje zonsondergangen, die bestáán echt.” Je ziet ze hier ’s avonds, gewoon boven Rotterdam. En overwerken is hier geen straf: nadat de zon is ondergegaan wordt het buiten een kerstboom.
Drie jaar geleden zijn Michiel Raaphorst (42) en Rudolph Eilander (41) voor zichzelf begonnen als V8 Architects. Omdat ze geloofden in hun werk en in de toekomst en in een kantoor dat dienst doet als een visitekaartje, betrokken ze het dakpaviljoen van de flat naast de Erasmusbrug, de Maastorenflat. Met succes: het team van V8 Architects bestaat inmiddels uit zeven personen, vandaag werken ze aan tien grote projecten, waarvan drie in Rotterdam.
Ze hebben uitzicht over de stad vanuit het oosten, westen, zuiden én het noorden. Vanaf 50 meter hoogte, lager dan sommige omliggende gebouwen, maar hoog genoeg. Een bescheiden hoogte. Rudolph: „Je hoort de straat nog, maar in een zoom. Een soort Zen-Zoom.”

Aan de kant van het centrum staan bureaus met computers. Aan de zuidkant staan een vergader- en een voetbaltafel, en een leren bankje met uitzicht op de Maas, de Erasmusbrug en de torens op de Kop van Zuid. „Het mijmerhoekje”, zegt Michiel. Tegen writer’s blocks en zo. Het uitzicht helpt bij het denken. Michiel: „En aan het aantal containerschepen dat langsvaart zien we precies hoe het staat met de economie.”
Waar ze het uitzicht het mooiste vinden? Overal. Want zij zijn architecten en als architect zie je dat bijna alles daarbuiten ooit door iemand is bedacht. Niets staat er zomaar, alles heeft een reden en dat maakt alles interessant. Tijdslagen zie je als je weet hoe je moet kijken. Allemaal verschillende periodes, levensvisies en opvattingen kriskras door en over elkaar heen. Je kunt ook foutjes zien. En hoe die foutjes vervolgens werden hersteld. Alles samen wordt het onze stad, Rotterdam.
Wat zouden ze veranderen, naast alle dingen die ze als architect veranderen zullen? Michiel wil een derde brug, die Kralingen en Feijenoord verbindt. En Rudolph wil een watervliegtuigdienst tussen de Maas en de Theems in London. Wie daar dan gebruik van zou maken? „James Bond natuurlijk”, lacht Michiel.

Afgelopen zondag werd ik in de Thiemenloods in Nijmegen geïnterviewd over De Grootsheid van het Al, door mijn lieve collega’s Hanneke Hendrix en Jaap Robben.

‘s Ochtends voor de spiegel kon ik kiezen tussen:

a. cool, collected, succesvol, effortless, Volwassen en met de zaakjes prima op orde
 SAM_1590 kopie
of b. een zelfgemaakte Madonna-bij-Ellen-DeGeneres-Rebel-Heart-showtrui ter ere van de Ellen DeGeneres Madonnaweek!!!!! (dwz: een witte trui met daarop vastgelijmd vier stukken rood vilt)
madge
Ik koos voor optie b. Gewoon omdat dat kan, ook als je 31 bent.  Met unaniem belachelijk groot succes (van Nijmegen tot aan Parijs): mijn trui was zo raar (of zo voelde het in elk geval) dat het verder niet meer uitmaakte hoe normaal ik was. Dat was vrij heerlijk. Ik voelde me een Rebel Heart. En ik wist weer even zeker dat ik morgen in principe gewoon ook met 50 Dollar naar New York zou kunnen vertrekken. Als ik daar zin had. Dat hebben Madge en ik tenslotte ooit gedaan, lang geleden.
Hanneke en Jaap waren fantastisch, net als het publiek. Mevrouw Blijleven kocht zomaar drie exemplaren van De Grootsheid van het Al. En maakte foto’s.
Raoul de Jong leest voor Raoul de Jong Marianne Blijleven en  Raoul de Jong Schrijvers Hanneke Hendrix & Jaap Robben

Laatst vond Ellen een vergeelde foto: zijzelf als klein meisje op de schoot van een oom op het dek van een schip dat die middag naar Canada zou varen. Achter haar zie je de gouden letters die vandaag nog altijd op de gevel van haar werkplek staan: HOLLAND-AMERIKA LIJN. Misschien stond alles altijd al in de sterren geschreven, ziet u wel?

Ellen Lampen (58) is hoofd huishoudelijke dienst van Hotel New York, al 18 jaar. Ze heeft geen passie voor schoonmaken – „Thuis heb ik er nul mee” – wel voor dit hotel. Voor de tegeltjes, de deurknoppen, de antieke kastjes, de tapijten, de stoelen in de lobby met het hotellogo erop – „Dat is toch gewoon léuk?” vraagt ze. Hotel New York is een romantische plek, een plek vol verhalen, oud en nieuw. De plek waar duizenden mensen alles achterlieten om aan de overkant van de oceaan een nieuw begin te maken. Ellen: „Soms lukte dat fantastisch, vaak werd het een fiasco.” Het is Ellens taak om voor deze plek te zorgen. Het doel: elke gast ‘wow’ laten zeggen als hij zijn kamer binnenstapt. De truc: alles zo grondig schoonmaken dat je niet merkt dat er eerder iemand heeft geslapen.

Kamer 485 heeft twee etages. Op de tweede etage sta je in het torentje onder de windvaan in de vorm van het schip waarmee Henry Hudson in 1609 Manhattan ontdekte, het hoogste punt van het hotel. Uit het raam zie je de Maas, Katendrecht, het ss Rotterdam. „Je voelt de bedrijvigheid”, zegt Ellen, „en de vrijheid van het water.”

Haar opa en oma en vijf van haar tantes en ooms zijn hier ook vertrokken. Drie keer. Oma kon niet wennen, dus kwamen ze na een paar jaar steeds weer terug. Om het een paar jaar later toch nog één keer te proberen. Bijna was Ellen in Canada geboren. Alles was geregeld, maar op het laatste moment besloot haar vader in Nederland te blijven. Helaas.

Onlangs was ze er, in Canada, het is mooi daar. Een tante is er altijd gebleven. Ze is steenrijk. En ze doet niks de hele dag behalve golfen.

Erasmus -Tessa Smitjpg

Tessa Smit

Al in de zeventiende eeuw werden er prospecten gemaakt met een verzonnen skyline van Rotterdam”, zegt Paul van de Laar (55), bijzonder hoogleraar stadsgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit en directeur van Museum Rotterdam. „Torens werden net een beetje hoger getekend dan ze in werkelijkheid waren.”

We staan in de Faculty Club op de bovenste etage van het Tinbergen gebouw, de hoogste toren op de campus van de Erasmus Universiteit. Met een spectaculair uitzicht op de stad vanuit het oosten: de kronkel van de Maas en daarachter, netjes op een kluitje, alle glanzende, glimmende uitroeptekens die de afgelopen zeventig jaar uit de Rotterdamse grond zijn geschoten. De stad heeft iets van een blokkendoos. Een blokkendoos waarmee je kunt spelen. Maar Paul schudt heftig van nee. „Rotterdam is niet maakbaar”, zegt hij. Dat is een marketingverhaal, dat het altijd goed doet.

Paul: „De superdiversiteit van onze bevolking en alles wat daardoor ontstaat is wat onze stad bijzonder maakt. Het onderscheidt ons van alle andere Nederlandse steden. Die kracht durven te omarmen zou ons tot een lichtend voorbeeld maken, voor Nederland en misschien zelfs voor de wereld.”

Paul vertelt: vrijwel het hele centrum werd vernietigd tijdens het bombardement, maar de puinruimers gingen zo grondig te werk dat veel van wat behouden had kunnen blijven, alsnog verloren ging. In het Basisplan 1946 kreeg elk gebied een functie. Het centrum werd voor zaken en in 1969 verhuisde de hogeschool – de voorloper van de universiteit – vanuit het centrum naar hier: Woudestein, een buitenplaats die in de vorige eeuw recreatief gebied werd.

Rotterdam: de stad van de toekomst, dat werd het verhaal van de wederopbouw, helemaal ingericht naar de behoeftes van de moderne mens. Maar mensen zijn mensen, geen poppetjes in een maquette. Volgens Paul schuilt juist daarin onze grootste kracht: niet in die torens, maar in alles wat er in de stedelijke tussenruimte, tussen die torens in, gebeurt. Zomaar, per ongeluk, zonder dat iemand dat achter een tekentafel heeft bedacht.

Paul: „De superdiversiteit van onze bevolking en alles wat daardoor ontstaat is wat onze stad bijzonder maakt. Het onderscheidt ons van alle andere Nederlandse steden. Die kracht durven te omarmen zou ons tot een lichtend voorbeeld maken, voor Nederland en misschien zelfs voor de wereld.”

In andere woorden: misschien schuilt onze grootste kracht juist in alles wat niet past binnen het plaatje.

SAM_1555
SAM_1558
Binnenkort (als alles gaat zoals het moet gaan) beginnen de opnames van Mirakel tv, een tv-programma over de kunstgeschiedenis van Rotterdam. Ik zit in de redactie, samen met allemaal oude, wijze professors (en dit bedoel ik op de liefste manier – hopelijk word ik er zelf ooit een) en  ik doe de presentatie.
Om er in te komen, begon ik gister aan een boekje dat ik jaren geleden eens kocht vanwege de kaft: Kunstgrepen, uit 1961 (uitgegeven door mijn uitgever: De Bezige Bij!) van Pierre Janssen, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum van Schiedam (want dat is er dus, een stedelijk museum in Schiedam).
Het boekje is gebaseerd op het script van het gelijknamige tv programma van de Avro. Dat, volgens Wikipedia (waar ik nooit op mag vertrouwen, volgens mijn bazen bij de krant, maar dat doe ik nu even toch) ‘wellicht het eerste kunstprogramma was op de Nederlandse televisie… Het programma trok gemiddeld twee miljoen kijkers per uitzending en er werden ongeveer 100 afleveringen uitgezonden.’
Zoals wel vaker met stoffige boekjes die ik alleen kocht vanwege de kaft, blijkt het boekje, jaren later, ineens gewoon ook heel leuk om te lezen.
Dit zegt Meneer Janssen in de inleiding:
“Ik kan er echt niks aan doen als men de beeldspraak wat te gezocht vindt, maar dikwijls doet de samenleving mij denken aan een Chinees restaurant, compleet met parkieten in een kooi. Daar zitten mensen te eten en zij weten niet wat zij eten, zij weten niet eens wat er op de winkelruit staat, en daar praten de Chinese bedienden onverstaanbaar met elkaar, en andere Chinezen zijn Javanen, of Ambonezen, en de parkieten praten driftig en hebben hun eigen machtsverhoudingen en hun eigen roddel en niemand kent niemand, niemand begrijpt niemand (…) Overal zijn er glazen wanden tussen ons, en het is voor mij een levensbehoefte geworden, die wanden te verschuiven of weg te nemen. Noem het onbescheidenheid, noem het kamertjesvrees, noem het wat men wil – ik geef het als verklaringen voor mijn pogingen, ook door het glazen scherm van televisietoestellen heen te dringen.’
En dit vroeg hij het Nederlandse publiek tijdens aflevering één van zijn tv-programma: ‘Ben ik net-echt, zoals ik op televisie in uw huiskamers verschijn, achter een raar glaasje, aanzienlijk veel kleiner dan mijn trotse twee meter vijf? U hoort mijn stem en u ziet me, maar ziet u mij? U ziet en hoort niets anders dan een kunstgreep, een schim en een echo, die door de lucht naar u toe worden gedragen en op allerlei vreemde manieren in een kastje in elkaar worden geknutseld tot een nieuwe Janssen, wat zeg ik, tot dertig nieuwe Janssens (want zo veel toestellen staan er nog wel aan, hoop ik). Ik ben bij u, maar ik ben niet bij u. Hier sta ik, in Bussum, en ik bereik u, maar kan ik u bereiken? Zelfs in mijn verkleinde uitvoering kan ik niet door uw ruitje. Hier is mijn hand, die ik u niet geven kan.’

Best wel briljant.
Hier is Meneer Janssen in actie: