Deze week een van mijn favoriete werkbezoekjes voor ‘de bovenste etage’ tot nu toe: de werkkamer van filmmaakster Nanouk Leopold. Precies zo’n werkkamer waar ik zelf altijd van droom. Met de werkkamer van haar vriend achter een schuifdeur. Zo wil ik het ook, ooit, later, als ik rijk ben: ik een werkkamer vol boeken van dode schrijversvrienden, opgestapeld volgens een magische, onzichtbare orde, een leesstoel en een schrijftafel. En Gianluca daarnaast een werkkamer om te schilderen.

Zoals de werkkamer van Roald Dahl, zo was Nanouks werkkamer een beetje. 

roald-dahl(de werkkamer van Roald Dahl)

Toen ik haar adres googlede, achteraf, bleek Nanouk in dezelfde straat te wonen, twee deuren verder, als waar Willem Elsschot in 1910 Villa Des Roses schreef. Over de lotgevallen van het personeel en de verschillende gasten van een familiepension in Parijs.  Ik heb het boek meteen besteld en het is prachtig. Prachtig en grappig en het maakt mijn buurt een beetje mooier, te weten dat ook hier mensen wonen en woonden die leven in dezelfde wereld als ik.
willem(Willem Elsschot)
De column!

Ze twijfelde nog of ze moest opruimen, maar dat is het ding: het lijkt hier misschien een chaos, maar dat is het niet. Alles ligt precies zoals het liggen moet. Onuitgepakte verhuisdozen, schilderijen en boeken, heel veel boeken. Stefan Zweig, JG Ballard, science fiction en prominent op de grote houten werktafel, vlak naast haar laptop: een boek met een foto van een strengkijkende Coetzee op de voorkant. Ze kijkt er naar tijdens het schrijven. „Weet je het zeker?” vraagt Coetzee haar dan.

De werkkamer van Nanouk Leopold (47), één van de succesvolste Rotterdamse filmmakers, ligt op de bovenste verdieping van haar huis, slechts twee deuren verder van het huis waarin Willem Elsschot in 1910 zijn debuutroman Villa des Roses schreef. De kamer is een soort grot, zegt ze, een afspiegeling van wat er in haar hoofd gebeurt. Alles wat ze mooi en inspirerend vindt, sleept ze mee naar binnen. Zaadjes die in de koude buitenwereld vertrapt zouden worden, kunnen hier tot bloei komen. De kamer is een broeikas voor verhalen. Verhalen die nog niet bestaan, alleen in haar hoofd. Ze puzzelt, zoekt, droomt, tot de droom een werkelijkheid wordt. Ze begint ’s ochtends nadat haar zoon naar school vertrekt, stopt wanneer hij terugkomt.
Tussen de boeken liggen vandaag A4’tjes met plaatjes die zij en haar art director hebben verzameld om een sfeerbeeld te geven van Cobain, haar volgende film. Over een vijftienjarige jongen die door zijn drugsverslaafde moeder vernoemd werd naar de zanger van Nirvana. Ze zijn begonnen met casten en rijden soms al door de stad op zoek naar locaties. „Altijd een spannend moment”, zegt ze: het moment waarop de werkelijkheid invloed krijgt op de droom. „Ineens is het niet meer een meisje in een straat, maar dié actrice in dié straat.”
Rotterdam wordt het decor, net als voor haar eerste speelfilm, Îles Flottantes, de stad waarin Nanouk geboren werd en altijd heeft gewoond. Ze lacht: „Ik heb het gevoel dat Rotterdam de echte wereld is, niet een soort bubbel van hipsterdom.” Rotterdam is romantisch op een niet romantische manier: romantisch juist omdat je naar de romantiek moet zoeken.

Heilige MaagdTessa Smit

‘Ken je Bob Ross?’ vraagt Michiel. „Van die oranje zonsondergangen, die bestáán echt.” Je ziet ze hier ’s avonds, gewoon boven Rotterdam. En overwerken is hier geen straf: nadat de zon is ondergegaan wordt het buiten een kerstboom.
Drie jaar geleden zijn Michiel Raaphorst (42) en Rudolph Eilander (41) voor zichzelf begonnen als V8 Architects. Omdat ze geloofden in hun werk en in de toekomst en in een kantoor dat dienst doet als een visitekaartje, betrokken ze het dakpaviljoen van de flat naast de Erasmusbrug, de Maastorenflat. Met succes: het team van V8 Architects bestaat inmiddels uit zeven personen, vandaag werken ze aan tien grote projecten, waarvan drie in Rotterdam.
Ze hebben uitzicht over de stad vanuit het oosten, westen, zuiden én het noorden. Vanaf 50 meter hoogte, lager dan sommige omliggende gebouwen, maar hoog genoeg. Een bescheiden hoogte. Rudolph: „Je hoort de straat nog, maar in een zoom. Een soort Zen-Zoom.”

Aan de kant van het centrum staan bureaus met computers. Aan de zuidkant staan een vergader- en een voetbaltafel, en een leren bankje met uitzicht op de Maas, de Erasmusbrug en de torens op de Kop van Zuid. „Het mijmerhoekje”, zegt Michiel. Tegen writer’s blocks en zo. Het uitzicht helpt bij het denken. Michiel: „En aan het aantal containerschepen dat langsvaart zien we precies hoe het staat met de economie.”
Waar ze het uitzicht het mooiste vinden? Overal. Want zij zijn architecten en als architect zie je dat bijna alles daarbuiten ooit door iemand is bedacht. Niets staat er zomaar, alles heeft een reden en dat maakt alles interessant. Tijdslagen zie je als je weet hoe je moet kijken. Allemaal verschillende periodes, levensvisies en opvattingen kriskras door en over elkaar heen. Je kunt ook foutjes zien. En hoe die foutjes vervolgens werden hersteld. Alles samen wordt het onze stad, Rotterdam.
Wat zouden ze veranderen, naast alle dingen die ze als architect veranderen zullen? Michiel wil een derde brug, die Kralingen en Feijenoord verbindt. En Rudolph wil een watervliegtuigdienst tussen de Maas en de Theems in London. Wie daar dan gebruik van zou maken? „James Bond natuurlijk”, lacht Michiel.

Laatst vond Ellen een vergeelde foto: zijzelf als klein meisje op de schoot van een oom op het dek van een schip dat die middag naar Canada zou varen. Achter haar zie je de gouden letters die vandaag nog altijd op de gevel van haar werkplek staan: HOLLAND-AMERIKA LIJN. Misschien stond alles altijd al in de sterren geschreven, ziet u wel?

Ellen Lampen (58) is hoofd huishoudelijke dienst van Hotel New York, al 18 jaar. Ze heeft geen passie voor schoonmaken – „Thuis heb ik er nul mee” – wel voor dit hotel. Voor de tegeltjes, de deurknoppen, de antieke kastjes, de tapijten, de stoelen in de lobby met het hotellogo erop – „Dat is toch gewoon léuk?” vraagt ze. Hotel New York is een romantische plek, een plek vol verhalen, oud en nieuw. De plek waar duizenden mensen alles achterlieten om aan de overkant van de oceaan een nieuw begin te maken. Ellen: „Soms lukte dat fantastisch, vaak werd het een fiasco.” Het is Ellens taak om voor deze plek te zorgen. Het doel: elke gast ‘wow’ laten zeggen als hij zijn kamer binnenstapt. De truc: alles zo grondig schoonmaken dat je niet merkt dat er eerder iemand heeft geslapen.

Kamer 485 heeft twee etages. Op de tweede etage sta je in het torentje onder de windvaan in de vorm van het schip waarmee Henry Hudson in 1609 Manhattan ontdekte, het hoogste punt van het hotel. Uit het raam zie je de Maas, Katendrecht, het ss Rotterdam. „Je voelt de bedrijvigheid”, zegt Ellen, „en de vrijheid van het water.”

Haar opa en oma en vijf van haar tantes en ooms zijn hier ook vertrokken. Drie keer. Oma kon niet wennen, dus kwamen ze na een paar jaar steeds weer terug. Om het een paar jaar later toch nog één keer te proberen. Bijna was Ellen in Canada geboren. Alles was geregeld, maar op het laatste moment besloot haar vader in Nederland te blijven. Helaas.

Onlangs was ze er, in Canada, het is mooi daar. Een tante is er altijd gebleven. Ze is steenrijk. En ze doet niks de hele dag behalve golfen.

Erasmus -Tessa Smitjpg

Tessa Smit

Al in de zeventiende eeuw werden er prospecten gemaakt met een verzonnen skyline van Rotterdam”, zegt Paul van de Laar (55), bijzonder hoogleraar stadsgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit en directeur van Museum Rotterdam. „Torens werden net een beetje hoger getekend dan ze in werkelijkheid waren.”

We staan in de Faculty Club op de bovenste etage van het Tinbergen gebouw, de hoogste toren op de campus van de Erasmus Universiteit. Met een spectaculair uitzicht op de stad vanuit het oosten: de kronkel van de Maas en daarachter, netjes op een kluitje, alle glanzende, glimmende uitroeptekens die de afgelopen zeventig jaar uit de Rotterdamse grond zijn geschoten. De stad heeft iets van een blokkendoos. Een blokkendoos waarmee je kunt spelen. Maar Paul schudt heftig van nee. „Rotterdam is niet maakbaar”, zegt hij. Dat is een marketingverhaal, dat het altijd goed doet.

Paul: „De superdiversiteit van onze bevolking en alles wat daardoor ontstaat is wat onze stad bijzonder maakt. Het onderscheidt ons van alle andere Nederlandse steden. Die kracht durven te omarmen zou ons tot een lichtend voorbeeld maken, voor Nederland en misschien zelfs voor de wereld.”

Paul vertelt: vrijwel het hele centrum werd vernietigd tijdens het bombardement, maar de puinruimers gingen zo grondig te werk dat veel van wat behouden had kunnen blijven, alsnog verloren ging. In het Basisplan 1946 kreeg elk gebied een functie. Het centrum werd voor zaken en in 1969 verhuisde de hogeschool – de voorloper van de universiteit – vanuit het centrum naar hier: Woudestein, een buitenplaats die in de vorige eeuw recreatief gebied werd.

Rotterdam: de stad van de toekomst, dat werd het verhaal van de wederopbouw, helemaal ingericht naar de behoeftes van de moderne mens. Maar mensen zijn mensen, geen poppetjes in een maquette. Volgens Paul schuilt juist daarin onze grootste kracht: niet in die torens, maar in alles wat er in de stedelijke tussenruimte, tussen die torens in, gebeurt. Zomaar, per ongeluk, zonder dat iemand dat achter een tekentafel heeft bedacht.

Paul: „De superdiversiteit van onze bevolking en alles wat daardoor ontstaat is wat onze stad bijzonder maakt. Het onderscheidt ons van alle andere Nederlandse steden. Die kracht durven te omarmen zou ons tot een lichtend voorbeeld maken, voor Nederland en misschien zelfs voor de wereld.”

In andere woorden: misschien schuilt onze grootste kracht juist in alles wat niet past binnen het plaatje.

Heilige MaagdTessa Smit

Het is alsof je in het centrum van de zon staat. Want op de bovenste etage is het hart van deze toren: het licht. Op 14 februari 1894 werd het ontstoken en tachtig jaar lang wees het zeelieden de weg naar de haven van Rotterdam.

Het Hooge Licht: een vuurtoren uit de 19de eeuw: knalrood, vol overbodige romantische versierinkjes. Hij staat in Hoek van Holland, naast de Noordzee, aan de monding van de Nieuwe Waterweg – de poort naar Rotterdam. In 1974 zag niemand wat er mooi aan was: de kustlijn van Hoek van Holland werd opgespoten, de toren had geen functie meer. Maar één vijftienjarige jongen bleef wakker, René Vas. Jarenlang stalkte hij de gemeente, tot hij in 1982 werd uitgenodigd voor een gesprek. Zijn plan: de vuurtoren omtoveren in een vuurtorenmuseum.

Inmiddels is René 50 en heeft hij de toren 33 jaar in zijn beheer. „Een uit de hand gelopen hobby”, lacht hij. Hij heeft iets van een zeeman: leren jas met gouden zeemansknopen, haar in een staartje en op zijn linker arm een tatoeage van de Terschellinger vuurtoren de Brandaris, de eerste vuurtoren waarop hij verliefd werd.

De acht verdiepingen van het Hooge Licht heeft hij ingericht met lampen, kaarten, apparaten en kleding die iets vertellen over het leven van de vuurtorenwachter. Vuurtorenwachters ontstaken het licht en hielden het brandend, daarnaast keken ze uit over de zee en waarschuwden schepen voor gevaar, met vlaggen, seinlampen en vuurpijlen. De wereld was nog niet ontdekt, gevaar was overal: storm, zandbanken, zeemonsters en zeemeerminnen.

Op de zesde etage staat een bureau met een verrekijker en een logboek. „Kun je het voorstellen? Hier werkten ze dan, in shifts van vier uur.” Je hoort het gekraai van meeuwen, het ruisen van de wind en voelt iets wat je beneden vaak vergeet: dat er tijd is, alle tijd.

Buiten zie je Naaldwijk, Delft, Den Haag, Rotterdam en een paar honderd meter verderop: de toren die deze toren in 1974 vervangen heeft: een vierkante betonnen paal die helemaal zelfstandig opereert. Snel, goedkoop en functioneel. Zonder menselijk hart of overbodige versieringen.

Kerk-laurenskerk-2De stad waarin ik leef is niet zo heel romantisch. Rotterdam is groot en nieuw en ja, ook gewoon heel interessant, maar er ontbreekt een link met het verleden, een gevoel voor geschiedenis en daardoor vaak: een gevoel voor poëzie. En daarom is Richard de Waardt een held. Richard en ik hadden afgesproken onderaan de Laurenskerk. Hij leek heel vrolijk, opvallend vrolijk, meteen. Open en een beetje alsof hij zweefde. Toen we boven in zijn toren kwamen en ik zag wel werk hij deed, snapte ik hoe dat kwam.
Middenin een stad waarin alles nieuw is, maakt hij muziek vanuit een toren die er al stond in de middeleeuwen, met klokken die daar in 1660 al hingen. Het is zijn werk om voor ons te dromen. Om onze wereld een beetje mooier te maken. Net als een engel, van boven.
Lees verder…

pussy riot
Tijdens het IFFR ontvoerde ik de twee bekendste leden van Pussy Riot naar de bovenste etage van het Hilton, voor ‘de bovenste etage’, mijn rubriekje in  NRC Handelsblad.

Het had iets uit La Dolce Vita, de hele situatie. Die scène waarin Anita Ekberg op het vliegveld arriveert, overspoeld wordt door paparazzi en een persconferentie houdt in haar hotelkamer. Het ging over roem. Over twee meisjes die eigenlijk, net als wij, maar twee kleine stipjes zijn op een enorme planeet. Door omstandigheden zijn ze opgeblazen tot iets groters, iets bovenmenselijks. Van dichtbij zag je hoe jong ze waren. En je voelde hoe griezelig het soms moet zijn, alle buzz om hen heen.

Ik kreeg tien minuten voor het interview, het werden er vijftig. Ze zeiden mooie dingen over Rotterdam. En over de wereld verbeteren. Lees verder…

IFFR

Foto Tessa Smit

Elke vrijdag een nieuwe aflevering van ‘de bovenste etage’, mijn rubriekje in de Rotterdam bijlage van NRC Handelsblad, waarvoor ik de bovenste etages van Rotterdamse gebouwen bezoek. Afgelopen vrijdag ging op expeditie met stadsecoloog André de Baerdemaeker, op zoek naar de drie zeldzame roofvogels die sinds de zomer van 2014 bovenin de Shell-toren wonen. ‘Ze worden zes tot zeven jaar oud in het wild,’ zei André. En het mooie was: met wild bedoelde hij dus hier: naast een rotonde met razende auto’s, op de stoep, onder een betonnen flat naast een tikkend stoplicht, honderdenduizendenmiljoenen kilometers verwijderd van bossen en bergen en frisse lucht. ‘Je hoeft niet naar Antarctica als je de wildernis wilt vinden,’ zei André. ‘Als je weet hoe je moet kijken is de wildernis overal.’ Lees verder…

P.S. En hier een expositie waaraan André meewerkte over natuur in de stad.

NRC Lux De bovenste etage “Het leven aan de top van verticale stad Rotterdam”

“Op 160 meter hoogte een speeltuin”, interview met Jan van Linschoten.

NRCDBEJanvanLinschoten

“Met Pussy Riot bovenin het Hilton”, interview met Masha Alekina, Nadya Tolokonnikova en Petiya Verzilov.

NRCDBEPussyRiot

“Jan staat elke werkdag 30 tellen in de lift”, interview met Jan van der Stel.

NRCDBEJanvanderStel

“Oplossing nodig? Uit het raam turen”, interview met Wim van der Niet.

NRCDBEWimvanderNiet

“Hij wil ze daar beneden laten lachen”, interview met Richard de Waardt.

NRCDBERicharddeWaardt

 

DeTitaanDe Wetten van het Wonder. Verschenen in ‘De Titaan’, juli 2014.