culstructuurraoulDe padvinder is TERUG! En gaat op zoek naar zijn Surinaamse roots. Elke maandag in nrc.next.

Achtentwintig jaar lang was ik de enige bruine telg van een geheel wit gezin. Tot ik op een middag een mailtje kreeg: ‘IK BEN OP ZOEK NAAR MIJN ZOON RAOUL DE JONG ? ? ?’. Mijn Surinaamse vader had God gevonden en zocht naar zijn kinderen. Zeven in totaal, bij vier moeders. Ik ben de oudste, de enige van een Nederlandse vrouw.

“Papa Paramaribo” (12-10-15): http://www.nrc.nl/next/2015/10/12/papa-paramaribo-1545585.

We zitten in het Surinaamse restaurant op de Zeedijk waar we tijdens onze eerste ontmoeting hadden gegeten, mijn vader en ik. Toen was er een man op ons afgestapt, net als ik een halfbloed. Hij was zonder zijn vader opgegroeid, vertelde hij, had hem pas twee weken eerder ontmoet. Op zijn iPhone liet hij een filmpje zien van dat moment, zonder te weten dat wij precies in dat moment zaten. Mijn vader moest huilen, daarna ik, toen de man. Snotterend stonden we op en midden in het restaurant gaven we elkaar brother hugs.

“De stille plantage” (19-10-15): http://blendle.com/i/nrcnext/de-stille-plantage/bnl-nn-20151019-1548775

 

Om meteen maar met de deur in huis te vallen: ik zit nu achter een bureau voor een raam met uitzicht op niets: de topjes van drie hoge flats en een strakblauwe lucht. Af en toe vliegt er een meeuw langs. Heel dichtbij. Want sinds gister woon ik waar de vogels vliegen. Dat het leuk zou worden om de Bovenste Etage te schrijven, had ik wel verwacht. Wat ik niet verwacht had, was hoeveel invloed de serie zou hebben op mijn leven.

 

moonrisekingdom

Ik zal u niet vertellen waar het is, wel hoe u er kunt komen. De deur achter u dichttrekken, daar begint het mee. En hopen, nee, gelóven dat het met alles wat u daarbinnen achterlaat op de een of andere manier wel goed zal komen. Dan twee uur lang reizen met de tram, de metro en de bus. Langs flatgebouwen, kantoren, hijskranen en rokende fabrieken, windmolens en elektriciteitspalen, over snelwegen met toerende auto’s tussen mensen die net zo ongelukkig kijken als u. Totdat, plotseling: een wonder! De lucht! En daaronder weilanden met koeien en schapen. Vanaf daar gaat u verder te voet. Steeds dieper een bos in, tot u niets meer hoort behalve het ruisen van de wind. Langs water, een heuvel af, over een brug, en als u dan twee keer afslaat naar rechts, dan bent u er.

“Geen wifi, wel stinkwantsen”: http://blendle.com/i/nrc-handelsblad/jonge-juffers-determineren-geen-wifi-wel-stinkwantsen/bnl-nrc-20150704-1510954

De laatste maanden schreef ik dus ‘de bovenste etage’ een serie voor de Rotterdam bijlage van NRC. Elke week beklom ik een Rotterdams gebouw om te kijken wie er in het topje woonde of werkte.
Ik vond er  hoge pieten (directeuren, zakelijk leiders en hoogleraren), dromers (kunstenaars, filmmakers en muzikanten), avonturiers (de man uit Wassenaar die naar Rotterdam Zuid verhuisde) en hele normale mensen, mensen zonder macht of hoge functies, die toch – of juist- heel bijzonder bleken als je ze vroeg naar hun leven, naar hun dromen, naar de stad die ze elke dag van boven zien. Mensen die de vrijheid van de hoogte leken te hebben opgenomen in hun denken. De hoogte had ze aardig, zacht, nobel en wijs gemaakt. Mensen op wie ik allemaal een beetje verliefd werd. Die veranderd hebben hoe ik naar mijn stad kijk. Die bewezen dat je geen studie, geld of macht nodig hebt om wijs te worden, maar ogen.
zenmeester1
Richard van Capelle, het onderwerp van de een-na-laatste aflevering van De Bovenste Etage, was zo iemand. Ik ontmoette hem op een zonnige dag op het dak van het Thornico Building. Een hele normale man in een vrolijke paarse blouse die werkt als een servicemanager.  Hij zei: “Iedereen krijgt kansen. De truc is om die kansen te zien en aan te nemen.”
Waar ik van schrok, of misschien beter: vlinders van kreeg in mijn buik. Want Richard wist dat niet, maar die zin lijkt verdacht veel op deze zin:
zenmeester2
En die zin is de openingszin van mijn favoriete boek: A fortune teller told me van Tiziano Terzani. Zonder overdrijven een boek dat mijn leven veranderde. Een hele ode zou ik willen brengen aan dat boek nu! Aan de zomer waarin ik dat boek las en aan de dingen die er door en na dat boek gebeurden, maar dat was niet the point nu en bovendien hebben Gianluca en ik er al eens een film over gemaakt: http://www.beatsenboeddha.nl/#/page=home&slide=raouldejong
The point is: Richard zei dingen die mijn grote helden zeggen. Zonder dat hij dat wist. En de dag waarop mijn ode aan Richard in de krant verscheen (vrijdag 29 mei) was de dag waarop  Richard een prijs kreeg van zijn Deense werkgever, Thornico http://www.thornico.com/Global-Winners.4259.aspx?recordid4259=81. Zonder dat ik dat wist.
Een mysterieuze samenloop van omstandigheden, ziet u wel? Weer eens. Dat was het leuke. Dat was the point.  Hieronder de column (in cursief zodat u begrijpt dat hieronder de column is en hierboven het voorstuk) (want we zouden die twee eens door elkaar moeten gaan halen, ai ai ia):
Tussen de wolken, midden in het centrum, zwevend boven de stad, naast een gigantische koeltoren die klinkt als een waterval, is er ineens een dak dat nog het meest doet denken aan een boeddhistische kloostertuin, vol felgekleurde bloeiende bloemen en zoemende bijen. Richard Capelle (50) duikt met zijn blote handen in een korf en vraagt: „Heb je wel eens gehoord van de mindfullnestheorie?”
Richard Capelle is de operationeel manager van het Thornico building aan de Westblaak: hij is verantwoordelijk voor de receptie en voor de beveiliging, hij vergadert met zijn bazen over investeringen van 3 ton, ontstopt wc’s wanneer die verstopt zijn, en hij houdt bijen, op het dak. Want Thornico gelooft in company karma: als het goed gaat met het bedrijf moet het bedrijf ook goede dingen doen, voor de wereld en de mensen. De neonverlichting aan de gevel van het Thornico Building werd vervangen door led-lampen, het dak werd bedekt met mos en toen bedacht Ronald Bouwens, Richards directeur, dat er bijen moesten komen en dat Richard dat moest gaan doen. Richard: „En dát was dus een probleempje.”
Hoe eng hij bijen vond, dat kan hij niet vertellen, „maar als ik vertel dat ik vroeger nooit buiten at, omdat ik bang was voor een bijensteek, dan krijg je een idee”. Hij kon twee dingen doen: „Zeggen: fuckaduck, zoek maar iemand anders. Of zeggen: fuckaduck, en het gewoon proberen.”
Inmiddels zijn we drie jaar verder. Bijen maken hem niet bang meer. „Door het opdoen van kennis snap je dat er in deze wereld bijna niets is om te vrezen”, zegt hij. En: „Bij bijen gaat alles om het ‘wij’, daar kunnen wij nog wat van leren.” En: „Als het een drukke dag was, kom ik hier, ga zitten op mijn platte gat en dan kom ik tot rust.”
Richard is geen zenmeester, hij is een doodnormale man van vijftig en dat is precies wat er mooi is aan Richard. Door naar Richard te luisteren snap je hoe je wijs kan worden. Hij zegt: „Iedereen krijgt kansen. De truc is om die kansen te zien en aan te nemen.”
zenmeester3

 

lous1
(Ik aangekleed als houthakker/journalist, Lous aangekleed als Gustave H)
Er is veel dat leuk is aan Lous van Prooijen (27). Bijvoorbeeld hoe ze lacht: voortdurend. En wat ze draagt: een mantelpakje van de zaak. Mét trots. Want net als Gustave H. uit The Grand Budapest Hotel lijkt Lous te zijn gemaakt voor een wereld van vier sterren, van koffers en service en luxe. „Ik vind dit hotel echt mooi”, zegt ze. „Ik voel me er persoonlijk mee verbonden.” Lous is de marketing en sales executive van Inntel Hotels Rotterdam Centre. Haar eigen enthousiasme overbrengen is haar werk en dat werkt dus: Lous is iemand van wie je vrolijk wordt.
lous2
We staan op de bovenste etage van de Panoramatoren, u weet wel: die etage die uitsteekt. Wat dus wil zeggen: op een flinterdun vloertje zweven we boven een gapende afgrond. Alsof het allemaal niets is, opent Lous de deur naar het balkon en lacht: „Kom! Er kan niks gebeuren.”
lous3
‘Er kan niks gebeuren.’ Zei Lous.
Vrolijk pratend (Lous), met de rug tegen de ramen gedrukt (ik) bewegen we ons van de razende autoweg, de Erasmusbrug en de Müllerpier, naar Lous’ favoriete plekje, om de hoek: een spectaculair uitzicht over de Leuvehaven. De dingen zijn daar mooi in balans, vindt ze, het oude Rotterdam (de toren van het Schielandshuis) met het nieuwe (de Robecotoren met daarachter een puntje Markthal). Rotterdam is ineens wat, dat zie je hier. En ja: in dit hotel merken ze dat ook de rest van de wereld dat doorheeft.
lous4
In één jaar tijd zijn er duizend hotelkamers bijgekomen in de stad, vertelt Lous. Hier krijgen ze doordeweeks voornamelijk zakengasten en in het weekend veelal Belgen en Nederlanders. En ja, af en toe een celebrity. Wie dan? Nou Michael Bublé bijvoorbeeld, Lous zegt: ‘Een persoonlijk hoogtepuntje.’
lous5
Een bed. Een blouse. Michael Bublé.
De bovenste etage wordt verhuurd voor borrels, feesten, congressen envergaderingen. Maar elk weekend zijn er twee bezichtigingmomenten voor de hotelgasten én de inwoners van Rotterdam. Meld u in de lobby om 12 uur op zaterdag- of om 10 uur op zondagmorgen en (bij beschikbaarheid van de zaal) neemt iemand in net zo’n mooi pakje als Lous u mee naar boven. Gewoon, omdat dat leuk is. Gratis en voor niets.

zenmeester4Foto René Hoeflaak
‘Je kunt hier alles doen waar je zin hebt”, zegt Andras Simon (51). Zelfs in je blootje lopen, als je wilt. We staan op zijn dakterras, in de huiskamer speelt de radio Pusherman van Curtis Mayfield en dan valt het kwartje: aha, denk ik, Andras Simon is van de soul.
(zet dit maar even op terwijl u verder leest, aangezien dit het internet is kan dat: http://www.youtube.com/watch?v=hCDAfa-NI-M )
Er waren al wat hints: hoe hij loopt: hij loopt niet, maar hij swingt, soepel en relaxed. Op leren slippers, de slippers van een held uit een blaxploitation film. Hij zegt: „We zitten midden in de stad, maar met 100 procent privacy.”
Hij geeft techniek op een mbo-school op Zuid. Samen met zijn vrouw en dochter woont hij in een voormalig kantoor van Stichting Pameijer, bovenop een herenhuis aan de Heemraadssingel, een van de chicste straten van Rotterdam. Ze kochten het in de tijd van de gulden. „Zou je dat wel doen?” vroegen vrienden en familie. Want op de G.J. de Jonghweg tippelden heroïnehoertjes en zijn vorige woning lag om de hoek: een kast van een huis, boven een bordeel, met lege spuiten, condooms, bloed en schreeuwende pooiers voor de deur. Andras: „Ik heb het hele proces zien gebeuren. Van kraakpanden, hoeren en drugsoverlast naar ‘Rotterdam: dé stad van 2014’.”
Andras heeft de eighties meegemaakt en hij weet nog hoe Rotterdam toen was: op de Witte de Withstraat waren schietpartijen en de hele Nieuwe Binnenweg zat vol „kleine dancings waar je lekker louche kon uitgaan”. Zijn favoriet was de Tudorbar. De bar waar mijn moeder mijn vader heeft ontmoet. „Dat was echt een plaats van ‘wow’. Alles was kapot, de vloeren waren scheef, de klapdeurtjes naar de wc werkten niet. Er kwamen veel Surinamers en studenten, de leuke, niet uit Kralingen, en ze draaiden er goede zwarte muziek.”
zenmeester5
Net als in New York verdween het allemaal met zero tolerance. Van de ene op de dag kreeg je overal boetes voor. „Rotterdam is schoner geworden”, zegt Andras. „Maar Rotterdam is ook iets van zijn Rotterdamsheid verloren.” De schreeuwende pooiers mist hij niet, maar toch: een stad heeft een randje nodig om een echte stad te zijn.

 

“Er bestaan plekken waar je zonder chipknip door de stationshal kunt lopen. Waar mensen praatjes met je maken in de metro. Plekken waar geen stoplichten zijn. Of waar niemand op stoplichten let. Waar mensen zingen op straat. Waar mensen wonen in rieten hutjes. Of in bomen…”

“De zomer is om uit te zoomen”: http://blendle.com/i/nrc-handelsblad/centrum-van-mn-wereld-maar-niet-in-de-zomer/bnl-nrc-20150619-1505693

wpc
port-of-rdam-kl-2
Een soort troon is het, de Zetel van God. Of gewoon: de boardroom van Donald Trump. Gerard komt er soms in zijn pauze, om even van het uitzicht te genieten. Want een van de mooiste plekken van Rotterdam zoekt nog een huurder.
Gerard Lakerveld (51) is de gebouwmanager van het World Port Center, de eerste toren die werd opgeleverd op de Wilhelminapier, één van de hoogste gebouwen van Rotterdam. Hij is de spin in het web, zo zegt hij zelf, de schakel tussen de eigenaar van het pand, vermogensbeheerder Syntrus Achmea Real Estate & Finance, beheerder MVGM, en de huurders, onder andere het Havenbedrijf Rotterdam (op de 2de tot de 19de verdieping) en Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (op de 22ste tot de 25ste). In juli is hij begonnen, bijna een jaar geleden. Hij leert het gebouw en de, schat hij, 2.000 mensen die er dagelijks rondlopen steeds beter kennen.
Zijn favoriete plek zit in het kraaiennest, bovenop de toren, het pronkstuk van het gebouw: een vergaderruimte met ramen rondom, daarachter een omgang, en een spectaculair uitzicht over de stad en de havens. Soms worden er reclamespotjes opgenomen. En de Wereldhavendagen en het nationaal vuurwerk worden vanaf de omgang gefilmd.
Hoeveel ze voor de ruimte vragen, weet Gerard niet. Wel waarom iemand de ruimte zou willen huren: de locatie, de bereikbaarheid en natuurlijk: het uitzicht. Gerard zegt: „Een levend schilderij.”
Om het beter te bekijken stappen we de omgang op. De wind waait er, verder is het stil. Aan onze voeten ligt de wereld; water, veel water vooral. Dat water dat je beneden in de stad zo vlug vergeet, hierboven kun je er niet omheen. Op ooghoogte is alleen de lucht. Een meeuw. En het topje van die andere reus: de Montevideo. Van boven zie je: gewoon maar wat platen tegen beton.
Rotterdam van boven is een ervaring, vindt Gerard, iets dat je voelt in je lichaam én in je geest. Hij hoopt op een huurder die dit uitzicht op de een of andere manier met de stad wil blijven delen. Dit uitzicht is een uitzicht dat de stad verdient.

 

Foto: Tessa Smit.

bouwtekening

Heilige Maagd

‘Mijn Latijnse fijngevoeligheid wordt gekwetst door de zedeloosheid van het Hollandse volk”, schreef de Portugese schrijver Ramalho Ortigão in 1883 na een bezoekje aan de eerste overdekte winkelpassage van Nederland. Groepen meisjes liepen er „gearmd, en met de neus in de lucht” en daagden mannen uit „tot een soort carnavalsvermaak”. Hij voelde zich persoonlijk gekrenkt.

En toch: als Jantje Steenhuis (57), stadsarchivaris van het Stadsarchief Rotterdam, één gebouw zou mogen terugtoveren dat verwoest werd door het bombardement, dan was het de Passage. „Rotterdam was een werkstad, maar Rotterdam was ook chic. We hadden een bloeiend cultureel leven. Veel mensen zijn dat vergeten.” De Passage is een mooi voorbeeld van de 19de-eeuwse allure die deze stad ooit had.

Het gebouw stond ongeveer waar nu de C&A staat: 100 meter lang en, in het midden, 8 meter breed. Het had een vloer van glazen tegels en een glazen koepel als dak. Het werd op 15 oktober 1879 geopend en was vier jaar later het eerste Rotterdamse gebouw met elektriciteit. Een soort Markthal, avant la lettre.

Er zat een hotel in, een koffiehuis en een badinrichting. Zevenentwintig luxe winkels met hoeden, lingerie, chocolade en ‘gramophonen’. In de kelder zaten een markt en een bierhuis met aquarium. Er was een fontein (die het nooit deed). En een agent. Om luidruchtige spelende kinderen naar buiten te jagen.

Boven de winkels zaten woningen, drie lagen. Daar een zolder, waarschijnlijk een opslag voor kolen, met een zolderraam. Op de ochtend van 14 mei 1940 had je dit uit het zolderraam boven de ingang aan de Coolsingel kunnen zien: een statig ziekenhuis in Romeinse stijl achter een oprijlaan met bomen aan de overkant. Trappen naar ondergrondse toiletten. Een vrouwengesticht. Een supermoderne Bijenkorf, links. En rechts: bioscopen, theaters, hotels, dancings, cafés en terrasjes; het bruisende kloppende Rotterdamse uitgaanscentrum.

Tijdens het bombardement zouden mensen de Passage zijn in gevlucht. De glazen koepel viel in scherven uiteen. Later stalen puinruimers de glazen tegels uit de vloer, als herinnering aan de trots van hun oude stad. Of om te gebruiken als asbak.

Deze week voor de bovenste etage een speciaal verzoek van Tessa Smit, de fotograaf die elke week de foto maakt voor bij de rubriek: Meneba, de graanverwerkinsfabriek aan de Maashaven. Tessa fietst er al jaren langs, onderweg naar haar opa en oma.

Alles was een verassing. Het begon al voor de deur: jongemannen die in witte overalls met blauwe kapjes op in de zon een peukie zaten te roken. Daarna een  voorgebouwtje uit de jaren zeventig. Waar we onze ID moesten laten zien, voor we een wachtruimte in mochten: met grote donkerrode leren banken en een koffieautomaat. “Echt zo’n bedrijf,” fluisterde ik tegen Tessa. Heel avontuurlijk voor mensen als wij die komen uit de wereld van de shared offices, koffiebarretjes en  pop-up stores. Deze wereld kende ik alleen uit films. Deze bijvoorbeeld:

(met mij en Tessa als Jane Fonda) (al werd er hier dus graan verwerkt, geen kern energie) (en gebeurde dat allemaal gewoon heel veilig, echt waar)

En aan Potiche, daar deed het me ook aan denken. Die film met Catherine Deneuve over een paraplufabriek in de jaren zeventig. En aan de verhalen van mijn opa.

Totaal exotisch.

De ingang naar het hoofdgebouw was als The Grand Budapest Hotel, van Wes Anderson. En daarachter was het een wonder.

Zoals we hoopten kregen we een haarkapje op.

Heilige Maagd

Hieronder de column. En foto’s van Tessa.

In de ontvangsthal staan twee bustes van streng kijkende heren, los van de sokkels waar hun namen op staan: Kraan en Dusseldorf, de oprichters van de fabriek. Gerard wisselde de bustes ooit om voor de grap. Of ze nu op de juiste plek staan weet hij niet zeker.

Het voelt ongeveer als het ontdekken van een tombe van een Egyptische farao; door de ingangspoort stappen van de graanverwerkingsfabriek aan de Maashaven: overal zijn schatten. Een houten receptie uit de jaren zestig, een glas-in-loodkunstwerk uit 1940, twee mozaïeken uit de jaren twintig, een statige hal met glazen koepel als dak.

Heilige Maagd

Het is nogal schokkend dat dit a: bestaat (in zo’n perfecte staat), b: bestaat zonder dat iemand je daar ooit over had verteld. In een stad waarin het vaak ontbreekt aan tastbare geschiedenis, is de hoofdvestiging van Meneba een plek waar je honderd jaar geschiedenis kunt horen, zien en voelen.
Meneba: de Meelfabrieken der Nederlandsche Bakkerij. In 1915 opgericht door Nederlandse bakkers, geëxplodeerd in de jaren tachtig, daarna overgenomen door verschillende buitenlandse bedrijven en investeringsmaatschappijen, drie jaar geleden bijna failliet, doch in 2015 nog steeds op de been, inmiddels met een voorzichtige stijgende lijn. Jaarlijks wordt er zo’n 600.000 ton graan aangevoerd, verwerkt en geëxporteerd. Door zo’n 150 man personeel. Deze zomer bestaan ze honderd jaar.

Gerard Verkerke (61), sinds vier jaar directeur, is al veertig jaar in dienst. Tijdens de rondleiding begroet hij al het personeel dat hij tegenkomt, sommigen werken er net zo lang als hij. Het gebouw bestaat uit drie afdelingen: rechts de tarwesilo’s, honderden, van acht etages hoog. In het middenstuk wordt er gemalen en gezeefd. Links is voor het meel.

Heilige Maagd

Heilige Maagd

Heilige Maagd

Op de bovenste etage wordt het door ronkende machines in zakken gespoten en via een glijbaan naar de opslag beneden gestuurd.

Heilige Maagd

Op het dak zie je de Tarwewijk en, aan de overkant van de Maashaven, Katendrecht. Een man klaagde daar ooit over geluidsoverlast, vertelt Gerard. En zij, deze enorme fabriek vol ronkende machines en hard staal en beton, besloten naar hem te luisteren. Tegenwoordig zijn ze vrienden. Mooi is dat.

Heilige Maagd

Heilige Maagd

Heilige Maagd

Foto: Tessa Smit.